Esmeralda Tijhoff

Some thoughts on History, Politics, and the Art of Living

Wat was er te horen op het congres Rewriting Biography?

Afgelopen woensdag hield de werkgroep Biografie van het Tijdschrift voor Biografie een goed bezocht congres in Groningen. De werkgroep Biografie werkt hard aan vernieuwende manieren om biografisch onderzoek vorm te geven en uit te voeren. Met als voorzitter prof. Mineke Bosch zit dat wel goed, zij trok dan ook samen met Rozemarijn van de Wal de kar van dit congres wat zich vertaalde in een bijzondere veelzijdigheid van het programma.

Met vier gelauwerde biografen als hoofdsprekers, een masterclass en vier grote namen op de zeepkist die hun recente biografieën kwamen toelichten was de dag een trekpleister voor biografisch Nederland. En dan vergeet ik nog de biografenmarkt te noemen waar de wanden versierd waren met posters over lopende biografische projecten, waaronder mijn poster over mijn groepsbiografie over de zussen Boissevain. Heb ik nog nieuwe dingen gehoord?

Zie deze blog voor de aankondiging en het programma.

 

Natuurlijk heb ik dat! Met als eerste sprekers de Zweedse prof. Yvonne Hirdman, de Duitse biografie-criticus prof. Thomas Etzemüller, en de letterkundige prof. Elisabeth Leijnse ging het meteen goed van start. Voor mij waren de drie interessantste debatten: 1) de keuze die je als biograaf moet nemen over het naamsgebruik in je werk, 2) de keuze van welke terminologie je toestaat in je analyse, en 3) de keuze in hoeverre je ‘mag’ psychologiseren.

congres rewriting biography 2016

 

1) Welke naam gebruik je?

Leijnse legde haar keuze om de voornamen van Cecile en Elsa van Jong van Beek en Donk op tafel. Zij lichtte toe dat voornamen normaliter worden gebezigd voor kinderen, zodra de protagonist volwassen is gaat de biograaf over op het gebruik van de achternaam. Haast ongemerkt hebben biografen echter voor vrouwen het gebruik geadopteerd om de voornaam te blijven gebruiken. Daarmee komt een hiërarchische verhouding in het verhaal; de vrouw lijkt nooit op te groeien, zij blijft een kind, een intimi, een vriendin van alle lezers, zij wordt dus publiek bezit. Dit gebruik tiert zonder enige reflectie welig in historische werken, zoals ook te zien is in vele biografische werken over  Gustav Mahler en Alma Schindler. Dit echtpaar wordt in biografieën aangeduid met ‘Mahler en Alma’.

Voor Leijnse was het desondanks een bewuste keuze om de zusters bij de voornaam te noemen in haar boek. Het praktische element vereiste deze aanpak; beide vrouwen hebben immers dezelfde achternaam! Dit is ook de reden waarom ik in mijn biografie de voornamen van de zusters gebruik. Om op gelijke voet te staan met de andere personages, gebruik ik zoveel mogelijk ook van de mannen en anders vrouwen hun voornaam, en waar mogelijk hun gehele achternaam. Daarbij heb ik ervoor gekozen om vanaf het moment van trouwen de achternaam van de echtgenoot erbij te noemen. Dus An Boissevain wordt An den Tex-Boissevain en Elisabeth Boissevain wordt pas aan het eind van haar leven als zij met Johannes Hermanus (Jan) Gunning trouwt: Elisabeth Gunning-Boissevain. Door deze tactiek ook door te voeren bij de andere personages worden familierelaties veel beter zichtbaar. De moeder van Jan Gunning is dan bijvoorbeeld niet ‘Petronella Adriana Gunning’, maar ‘Petronella Adriana Gunning-Pierson’.

20161019_142454

2) Welke terminologie gebruik je?

Tijdens de lezing van Yvonne Hirdman was mij al opgevallen dat zij zeker niet terugschrikt om hedendaagse inzichten en terminologie  in te zetten om haar protégé te omschrijven en te analyseren. Elisabeth Leijnse had een radicaal andere tactiek. Zij had besloten in haar biografie over De Jong Van Beek en Donk absoluut geen termen te gebruiken die in hun tijd onbekend waren. Zij beperkte zich tot het omschrijven van de symptomen en liet het aan de lezer over om labels als ‘postnatale depressie’ of ‘parentificatie’ op te plakken. Deze termen waren immers in die tijd nog niet bekend. Leijnse greep terug op de zelfanalyse, de introspectie,  van Cecilia en Elsa zelf en de woordkeuze die zij hadden gebruikt om hun geestenleven te omschrijven. Hun termen zoals ‘Ziel’, en ‘Zenuwen’ heeft zij in het boek verwerkt.

Toch heeft Leijnse hier een heel lastig punt te pakken. Want hoe zit het met voortschrijdend inzicht? En hoe zit het met het gebruik van termen die vroeger normaal werden gevonden, maar waarvan we nu weten dat ze heel beladen zijn? Lees bv deze blog over racistisch wetenschappelijk taalgebruik. En kun je mensen dan niet in retroperspectief ‘lesbisch’ noemen? Of, zoals Elisabeth Lockhorn in haar afsluitende lezing zonder aarzeling deed over Andreas Burnier, iemand transgender noemen?

We komen hier direct op punt drie terecht:

 

3) In hoeverre mag je psychologiseren?

Een historicus is geen psycholoog. De gebiografeerde ligt niet op de bank voor een grondige psycho-analyse. Dus kun je iemand postuum een geestelijke aandoening toeschrijven? Volgens Yvonne Hirdman is het de verantwoordelijkheid van de biograaf om zich uit te laten over eventuele mentale ziektes van hun object. Wie kan dit immers beter doen dan degene die zich heeft ondergedompeld, zich jaren heeft vastgebeten, in de vele geschriften van en over die persoon? Zelf vermoedt zij dat de briljante Alva Myrdal een ‘asperger girl‘ was.

Toch zijn er genoeg voorbeelden van stuitende psychologische analyses van de koude grond.  Elisabeth Leijnse was zó afgeschrikt door het werk van Oliver Hilmes die in het leven van Alma Mahler anti-semitische als constante zocht en wilde verklaren met hysterie, zó erg was Leijnse afgeschrikt van dit wanstaltige denken die zij al snel als circulair ontmaskerde, dat zij elke vorm van psychologisering afzwoer ten opzichte van de zusters De Jong van Beek en Donk.

Ook ik ben geen voorstander van het gebruik van de psychologie voor het analyseren van personages uit het verleden. Iemand reduceren tot diens slechte jeugd en alle levensstappen van diegene verklaren door terug te wijzen naar eerdere beschadigingen is niet falsifieerbaar en dus onwetenschappelijk. Een dergelijk deterministisch mensbeeld maakt mij onpasselijk. Symptomen die we achteraf waarnemen in iemands leven dienen vermeld te worden, maar een hedendaagse label van een ziektebeeld kán een historicus er niet ongeproblematiseerd aan hangen, zéker niet als het gaat om persoonlijkheidsstoornissen, moedercomplexen, en dergelijke.

Thomas Etzemüller bij de poster over de Boissevains

Thomas Etzemüller bij de poster over de Boissevains. De poster had drie envelopjes waarin primaire bronnen zaten van de Boissevains die iets zeiden over 1) Gender (de zoektocht naar autonome levens), 2) Democracy (de strijd voor volwaardig burgerschap) en 3) Class (familienaam en stand)

Maaike Meijer aver de biografie van F. Harmsen van Beek

Maaike Meijer aver de biografie van F. Harmsen van Beek en waarom zij niet diens naam ‘Fritzi’ gebruikt.

Myriam Everard over de nieuwe bundel over Rosa Manus, de feministe die een vriendin en partner in crime was van Mia Bossevain

Myriam Everard over de nieuwe bundel over Rosa Manus, de feministe die een vriendin en partner in crime was van Mia Bossevain

 Rozemarijn van de Wal en bezoekster

Rozemarijn van de Wal en bezoekster

Jaap Bos op de zeepkist

Jaap Bos op de zeepkist

Monica Soeting bij haar poster over Cissy van Marxveldt

Monica Soeting bij haar poster over Cissy van Marxveldt

 

You can leave a response, or trackback from your own site.

Leave a Reply